donderdag 11 juli 2013

De Zomer van Levi Leipheimer hoofdstuk 2



-2-

Harry Spaan komt Murk al vroeg tegen bij het hoofdspoorwegstation.
“Hé Murk, wat doe jij hier?”
Murk antwoordt dat hij onderweg is naar de bieb.
“Ik ga zo beginnen met het schrijven van mijn roman.”
Harry stelt Murk voor aan een oudere mevrouw die hij vijf minuten daarvoor bij de halte van de trolleybus heeft leren kennen.
“Murk, dit is mijn nieuwe vriendin.”
Murk lacht.
“Hij maakt ook zo snel vrienden mevrouw.”
Murk beëindigt het gesprek.
“Ik zie je vanmiddag nog wel voor de kerk.”

Murk loopt in de richting van de nieuwe BoudewijnBuchBibliotheek.
De BBB is voor een groot gedeelte gefinancierd uit de opbrengst van de verkoop van de verzameling van de helaas veel te vroeg gestorven schrijver en tv-persoonlijkheid Buch.
De bibliotheek is hierdoor groter, fraaier en vooral met veel meer werkruimte voor scholieren, studenten en beginnende schrijvers, zoals Murk, uitgevallen dan, door de met bezuinigingen geplaagde gemeente Louloenen, was beoogd.

Als Murk een paar uur aan z'n boek heeft gewerkt krijgt hij heel veel behoefte aan frisse lucht, koud bier, nicotine en aanspraak en besluit naar de Vondelkerk te gaan.
Eddy, Harry en Karel zitten al een tijdje op het bankje in het gezelschap van Ruud Voordewind.
Ze zijn verwoed bezig met een poging de voorraad bier van de JanCampert op het Brederoplein tot een minimum te doen slinken.
Murk is maar al te genegen hier mee te helpen.
Ruud Voordewind is iemand die wel eens een boek heeft gelezen en waar Murk dus soms een niet al te oppervlakkig gesprek over literatuur mee kan voeren.
Vandaag begint Murk de tweespraak met een sneer naar het dunnende haar van Ruud.
“Je wordt ietwat kaal, maar daar bestaat tegenwoordig een probaat middel tegen, het spuug van een Peruaanse lama.”
“Doordat die op grote hoogte leven ontwikkelen ze een bepaald enzym in hun speeksel.”
Ruud heeft 'm nog niet door.
“Beter kortharig dan langdradig!”
Murk vervolgt zijn betoog.
“Maar dan moet je wel Peruaanse hebben, met de Ecuadoraanse werkt het niet.”
Ruud begint in de gaten te krijgen waar Murk met zijn gelul naar toe wil.
“Oudehoer!”
“Jij hebt De Avonden van Reve gelezen!”
Murk bevestigd dat dit inderdaad het geval is.
“Ja, onlangs opnieuw, en ik moet zeggen dat ik het nu een stuk beter vindt dan toen ik het op m' n achttiende voor de eerste keer las.
Harry mengt zich in het gesprek.
“Jij leest veel hè, Murk?”
Murk zwakt de bewering af.
“Mwa, wat is veel?”
Karel schaltlacht.
“Nou, daar zou je zomaar literatuureluurs van kunnen worden.”

Ruud en Murk laten Eddy, Harry en Karel met de overgebleven blikken bier op het bankje achter en lopen in de richting van het Wolkerspark.
Harry slaakt een zucht van verlichting.
“Wat multilult die Murk toch altijd veel hè!”

Bij de JanCampert op het Bernlefpad is gelukkig ook nog genoeg bier verkrijgbaar.
Murk en Ruud maken driftig gebruik van deze gelegenheid en installeren zich op een bank tegenover het Indisch Theehuis op het HellaHaassepad.
Murk vertelt dat hij die ochtend is begonnen met het schrijven van z'n eerste boek.
Ruud kijkt bedenkelijk.
“En lukt het een beetje?”
“Nou ja, dat gaat wel”, antwoordt Murk, “en over Reve gesproken, ik voltooi natuurlijk geen enkele bladzij zonder er aan te denken dat Gerard Reve ooit heeft gezegd dat hij geen enkele bladzijde voltooide zonder daarbij aan Nescio te denken.”

“Er worden van die mooie anekdotes verteld in De Avonden”, herinnert Ruud zich.
Murk kniklacht.
“Ja, zo ken ik er ook nog een.”
“Een groep bejaarden maakte eens een busreis, ze bezochten een tuincentrum en toen ze, beladen met allerlei rotzooi die niemand echt nodig heeft, bij de bus terugkwamen was de chauffeur nergens te bekennen.”
Ruud boert luid en trekt het volgende blik open.
Murk besluit toch ook nog maar een biertje te nemen en vervolgt:
“Een van de reizigers wist hoe de bus opengemaakt kon worden, zodat iedereen tenminste zijn spullen in de bus kon opbergen.”
“En toen maakte een van die bejaarden een paar fraaie opmerkingen: “Hé, wat een merkwaardige tuinkabouter” en “Wat verkopen ze toch lelijke dingen.”
Murk rondt zijn relaas af.
“Dat bleek dus de buschauffeur te zijn die zich had verhangen.”
Ruud weelacht.
“Ja, vind je het gek, als ik de hele dag met bejaarden zou moeten rondrijden zou ik er ook een eind aan maken.”

Ruud informeert naar de inhoud van de roman.
“Waar gaat je boek eigenlijk over, Murk?”
Murk smuikgrijnst.
“Over een stel zuiplappen die op bankjes bier zitten te drinken.”
“Over ons dus.”

Er lopen een man en een vrouw langs het bankje.
Ze kijken misprijzend naar de alcohologrammen.
Ruud snuift.
“Zag je ze naar ons kijken?”
“Je zet ons neer als een stel losers in je boekkie, Murk.”
Murk zucht.
“Je hoeft hier toch ook niet te zitten zuipen.”
“Voor jou verzin ik zo weer een ander randfiguur voor mijn roman hoor!”

Het bier is op.
Murk en Ruud besluiten de rest van het bier voor moe gewerkte mensen, die op weg naar huis ook nog wat willen kopen, in de supermarkt te laten liggen.
Ze verlaten het Wolkerspark en gaan elk huns weegs.

Murk verlaat het Wolkerspark via het Conny Braamstruiksebinnenpad en loopt langs de Multatulilaan tot aan het Jan Hein Donnerplein.
Het terras met de stoelen in de vorm van schaakstukken ligt er verlaten bij.
Als Murk de Heere Heeresmagracht, Lucebertgracht en Roland Holstgracht is gepasseerd dient de dorst zich alweer aan.
Hij voelt zich genoodzaakt dan nog maar één biertje bij de JC op het Brederoplein te gaan kopen en beslist ten langen leste er toch maar twee te nemen.
“Dat ene blikje in het schap achterlaten slaat nergens op, daar heeft niemand wat aan.”

Via de Gerrit Achterbergstraat bereikt Murk het A. F.Th.van der Heijdenplein.
Hij gaat op een bankje bij het beeld van het jongetje met de hanenkam, dat in de volksmond het krakertje wordt genoemd, zitten om rustig van zijn bier te genieten.
Daarna vervolgt hij zijn thuistocht langs de Johnnie van Doornstraat, het hoofdspoorwegstation en de Jeroen Brouwersdam tot hij bij de veerhaven komt.
Een meisje met een fiets is zo druk met haar mobieltje in de weer, dat ze niet merkt dat de klep van de juist arriverende pont haar voorwiel plet.
Murk staat erbij en kijkt ernaar en denkt er het zijne van.
“En dat gebeurt je op een gegeven moment natuurlijk altijd net als je ver van huis bent, dat zal je altijd zien.”

Als Murk thuis komt zit moeder Hemelsoet thee met een beschuitje te verorberen.
“Nou, dat is lekker dan,” binnensmondsmompelt Murk.
“Nou denkt ze vast weer dat het ochtend is, zeker net een middagdutje gedaan.”








Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen